Zo’n weekend

Zondagavond en ja, de regering is eindelijk gevallen. Of eerder: overleden na een veel te lange doodsstrijd. Daarbij hebben de parasieten het lichaam van de gastheer helemaal leeg gevreten en nu moeten ze op zoek naar een nieuw organisme dat zichzelf wil opgeven aan de volgende kaalslag. En ja, ik weet wel dat we ook het volgende feestje van de democratie zullen moeten bijwonen, maar ik kijk toch niet heel erg uit naar de volgende maanden. Elke politicus rekt de waarheid wel een beetje op in zijn of haar voordeel en probeert al eens een punt te maken ten koste van een andere, maar bij sommigen is de spoeling van de waarheid zo dun dat het een homeopathische oplossing is. Wat ons de de komende tijd te wachten staat is een orgie van ophitsing, leugens, tweespalt zaaien, van transmigranten nog grotere zondebokken maken om ons zo af te leiden van het magere rapport voor economie, klimaat, gezondheidszorg, infrastructuur. Allemaal zaken die meer wegen dan een paar honderd of een paar duizend azielzoekers opvangen tot het duidelijk is of ze permanent kunnen blijven of niet.

Enfin, ik stop met zeuren: er zullen er duizenden anderen zijn die dit gevoel eloquenter en met meer gevoel voor drama in de krantenkolommen zullen laten optekenen.

Ik heb ‘Oorlog en Terpentijn’ uitgelezen. Op zich draag ik oorlogsromans of -films een weinig warm hart toe: het draait onveranderlijk uit op de tegenstelling tussen heroïek en een palet aan wreedheden waar de vijand zich schuldig aan maakt. En daartussen beschrijvingen van de stank, de vermoeidheid en kapotte schoenen. Domme officieren en hartverwarmende verpleegsters. Het lijkt alsof er weinig oorlogen zijn die zich niet volgens dat stramien afspelen en het boeit me allemaal niet zoveel. De menselijke emoties worden te veel uitvergroot, er is weinig waar ik me mee kan identificeren. Hertmans bejubelde roman is hier – voor mij dan toch – geen uitzondering op. Het eerste deel kon me wel bekoren: een beschrijving van de armoedige jeugd van zijn grootvader in Gent. Iets meer dan 100 jaar geleden, maar we kunnen het ons nu nog amper voorstellen: niet alleen de erbarmelijke leefomstandigheden van de arbeidersmassa’s, maar ook hoe de maatschappij nog streng georganiseerd was volgens ijzeren regels en elke klasse rigoureus afgebakend. Van economische mobiliteit was nog maar weinig sprake en sociale vangnetten quasi onbestaande. Het leven was hard en genadeloos, voortdurend knokken om te overleven. Mensen sterven aan banale ziektes, worden genekt door infecties waar we nu hoogstens de schouders voor ophalen. Van penicilline en antibiotica was nog geen sprake.

Het tweede deel is gebaseerd op de oorlogsdagboeken van zijn grootvader en in het derde deel beschrijft Hertmans de naoorlogse jaren, het kille huwelijk en zijn eigen relatie met zijn grootvader. Hij mijmert bij zijn herinneringen als kind en probeert door de plaatsen uit de brieven van zijn grootvader te bezoeken zijn geest tot leven te wekken of hem beter te begrijpen.

Hertmans schrijft natuurlijk met veel liefde voor zijn grootvader, die hij als kind natuurlijk niet kon begrijpen. Ik lees er een leven in van jammere, gemiste kansen. Van een veel te grote eerbied voor God en gebod, ontzag voor absurde regels en veel verbeten ongelukkigheid.

Oorlog en terpentijn

 

 

Plaats een reactie