Gisteren was de dag dat het noodlot mij spaarde.
Na een slechte nacht en wakker liggen in het holst ervan en tot je de eerste buren naar hun werk hoort vertrekken was ik ’s morgens vroeg natuurlijk geen frisse hoender. En ik moest nog tanken en er wachtte mij nog een hele dag vol vervelende jobkes waar ik eigenlijk geen tijd voor had en waarvan de betekenis mij ook niet helemaal duidelijk was. Met mijn kop vol gedachten spoedde ik mij met mijn bedrijfsdieselwagen naar de Wiedauwkaai om er een tijger in mijn tank te stoppen. Onderweg sneed ik een bochtje te kort af en raakt met mijn achterwiel een borduur, maar daar besteedde ik verder geen aandacht aan, ook al omdat ik telefoon kreeg van een collega om te vragen hoe het nu zat met met één van die voornoemde jobkes. Dat zou iets worden voor het weekend, antwoordde ik hem.
’s Middags kwam een lieve collega mij melden dat mijn band plat stond, en of ik dat eigenlijk wel wist? Ik zei dat dat hij vast de verkeerde voor zich had, want dat ik net uit de auto kwam. Omdat hij bleef aandringen en zelfs mijn nummerplaat opzegde ging ik maar eens checken. En wis en warempel! Mijn band was zo plat als een kauwgum. Niets van gemerkt tijdens het rijden. En toen moest ik bellen naar de leasingmaatschappij. Na het gebruikelijke antwoordapparaat-labyrinth te doorlopen krijg ik een vriendelijke mevrouw aan de lijn die me vraagt tot hoe lang ik vandaag op kantoor plan te blijven. Zeker tot er iemand van de pechverhelpingsdienst is geweest moet ik zeggen, want zo zonder band is het wat lastig om 70 of 80 kilometer te overbruggen. Ze begreep het, maar waarschuwde dat ik op dit moment aankeek tegen de maximale wachttijd van anderhalf uur.
Tien minuten later kreeg ik een reeks smsjes om te zeggen dat de depanneur binnen het kwartier daar zou zijn. En nog een laatste sms om om te vragen of ik alstublieft niet op deze smsjes wilde antwoorden.
De depanneur zag er uit zoals depanneurs er nu eenmaal uitzien: een geblokte, grote kerel met vriendelijke ogen en blozende koontjes. Gezwind toog hij aan het werk en vroeg: ‘Zoeje vandoage misschien e twoasten e bordeure mee get en, madame?” Ik beaamde dat dat misschien wel deze morgen het geval zou kunnen geweest zijn, maar dat het maar een lichte aanraking was geweest. Lang verhaal kort: er zat een scheurtje in de band en ik kon nog net naar de dichtstbijzijnde bandencentrale rijden. Hij zou achter mij blijven, voor het geval ik onderweg toch terug plat reed.
Na een verder nog volledig niet ter zake doende maar daarom niet minder epische telefonische zoektocht naar de bandencentrale waar mijn zomerbanden liggen opgeslagen later vertrok ons bescheiden konvooi. Een kwartier later draaide ik gezwind de parking van de bandencentrale op en kreeg ik nog een ‘tuut-tuut’ ter afscheid van VAB-man. Terwijl bandencentrale-man aan de slag ging zocht ik per telefoon verder naar mijn set zomerbanden. Na veel – ik zou zelfs durven zeggen heel veel – vijven en zessen bleken zich die te liggen op het adres waar ik mij op dat eigenste moment bevond.
Bandencentrale-man krabde zich in de schaarse haren en zei: ‘Ah ja, die liggen voorzekers in ons magazijn in het rek van de tjoolders’.
Ik kon mij geen beter rek voorstellen om in terecht te komen en met een nieuwe band op mijn achterwiel kon ik nog geen tien minuten later beschikken.
