Het weer is prachtig, zomers bijna en ik ben thuis. Dat kan slechts betekenen dat het weekend is, of vakantie. Of zo voelt het toch voor mijn lijf en voor mijn hoofd. Toen dit huisarrest begon, kwam er geen eind aan de online meetings, overlegmomenten en vergaderingen. De dag begon om 8 uur en eindigde 12 uur later met in het midden een klein beetje tijd om vlug een boterham te smeren in je mond te proppen. Nu droogt het werk een beetje op, het tempo ligt lager en ik word luier. Gelukkig maar. Ik ontsla mezelf van het kookkarwei van deze avond en we bestellen een afhaalmaaltijd bij een restaurant. Straks ga ik er om met de fiets, het geeft me een mooi excuus en een dwingende reden om nog eens buiten te komen en te bewegen.
Ik kijk er elke keer naar uit om buiten te komen, al is het dan maar om te winkelen of eten af te halen, maar ben ook telkens blij dat ik terug naar binnen kan. Mijn huis, mijn veilige haven en knusse cocon. Mijn 80 vierkante meter waar niemand anders komt, mijn barricade in deze vuile oorlog.
Mijn fietstocht brengt me langs het containerpark, slechts een vijftal auto’s staat aan te schuiven. Ik denk aan de twee matrassen in mijn tuin die dringend weg moeten, plasticfolie en isomo, een oude fiets die al meer dan een jaar staat te verkommeren. Een bidon frituurolie en allerlei ander klein spul dat zijn beste tijd heeft gehad.
In de namiddag krijgt mijn lief telefoon van zijn moeder. Het gaat opnieuw niet zo goed met zijn vader, die een dikke maand geleden slechts bijna in een operatie bleef. Een bacteriële infectie blijft hem plagen, ontneemt hem de eetlust en bezorgt hem koorts. Ze waren in het ziekenhuis voor een onderzoek, nu terug thuis. Hij drukt haar op het hart niet te aarzelen en naar de spoeddienst te gaan mocht het plots slechter gaan. Er is niet veel meer dat we kunnen doen, behalve dan hopen dat het snel betert.
Ook onder een stralende hemel kan zich de grootste rampspoed voltrekken. Ik lees op Facebook een getuigenis van een vrijwilliger in een rusthuis, maar mijn adem stokt en mijn brein weigert de consequenties van de woorden op te nemen. Mensen opgesloten in onverluchte kamers, te weinig middelen, te weinig mensen, … Het aloude verhaal van besparingen en snoeien om te groeien. Beke spartelt als een duivel in een wijwatervat, maar de waarheid is wel dat dit allemaal hebben laten gebeuren. We hebben gestemd voor mensen die zonder blikken of blozen zeiden dat er in de sociale zekerheid nog veel geld te rapen was. We hebben ons laten opjagen om meer, langer en sneller te werken zodat er amper nog tijd was om op te letten en ons af te vragen waarvoor we het nu precies deden. We zakten ’s avonds vermoeid in onze zetels en lieten ons betoveren door flikkerende schermen.
We waren in slaap gevallen en nu moeten we terug wakker worden.
