Donderdag 7 mei

Ik overleg met collega’s over het programma dat we komend academiejaar zullen aanbieden. Wie zal wat wanneer doen, wanneer starten de lessen, hoe combineren we een dag- en een avondopleiding, welke mensen zijn daarvoor nodig, enzovoort enzoverder. Plots zegt de collega die iets doet met budgetten en begrotingen dat ik er ook mee rekening moet houden dat een deel van de lessen online moet gegeven worden. Het campusleven zal sowieso veranderen, zegt hij nog, en bovendien: vergeet niet dat er terug een piek wordt verwacht in het najaar.

Ik laat het niet merken, maar ik ben er even niet goed van. Het nieuwe normaal wordt helemaal geen happy hippieland, waar we allemaal Kumbaya zingend hand in hand produceren naar vermogen en consumeren naar behoefte. Het zal ook geen neoliberaal paradijs zijn waarin we terugkeren naar de 19de eeuw en uitgewrongen worden door hardvochtige en paternalistische bazen. Neen, het nieuwe normaal is er al. Het wordt een leven op afstand, achter schermen en plexiglas. Met steeds mondmaskers in de aanslag en desinfecterende handgels. Zonder knuffels en omhelzingen, vage feestjes of vergaderingen die zo lang duren dat het lokaal achteraf stinkt als de pest. Zonder toevallige ontmoetingen ’s avonds op een terras en halfdronken en luidruchtig afscheid nemen terwijl de nacht verder nacht wordt.

Er zullen periodes zijn waarin we voorzichtig buiten mogen en andere waarin we dringend en noodgedwongen binnen moeten blijven. Elke aanraking zal weloverwogen moeten gebeuren en zal blijft tegelijkertijd verdacht. Niet langer enkel troostend of beroerend, prikkelend, wellustig of dwingend, zinnelijk of sussend. Er schuilt dreiging in, gevaar, ziekte, besmetting, overdracht van ziektekiemen, microben of virussen.

Ik weet niet of ik er aan kan wennen.

Ik bel met mijn zus, over de kinderen, over ons trouwfeest, wie er bij wie op bezoek mag of niet. Haar oudste zal binnenkort in een expohal examens afleggen, op veilige afstand van haar medestudenten. De ontlading er na zal sober zijn.

Misschien moet ik mijn ouders eens naar hier laten komen, op een zonnige dag. Dan kunnen we ver genoeg uit elkaar in de tuin zitten en kan ik mijn flinke patatten tonen die fier als een gieter overal de kop opsteken. Taartjes eten en koffie drinken, de staat van de wereld bespreken. Nog eens zeggen dat het rare tijden zijn en zuchten dat ‘jaja, niemand dit verwacht had’.

’s Avonds hebben we afgesproken met vrienden. We fietsen er heen en installeren ons op veilige afstand van elkaar in de tuin. De snackjes die we mee hebben verdelen we veilig over twee kommetjes, ik desinfecteer mijn handen. We hebben elkaar maanden niet gezien en het is heerlijk om weer eens buiten te zijn en echte andere mensen te zien. We tetteren en we drinken en we zeggen duizend keer dat het jammer is dat we elkaar niet kunnen knuffelen.

Als we onder het invallende duister terug fietsen zie ik achter de wolken de volle maan gloeien. Ik zeg duizend keer aan mijn lief dat het gezellig was.

Het is alsof ik een klein beetje herboren ben. Ik val in slaap.

28139502-8299201-image-a-86_1588896670251

Plaats een reactie