Na alweer een slechte nacht slaap ik een uurtje langer dan gewoonlijk, ik word wakker rond een uur of acht. Slechte timing, want ik moet nog een briefing schrijven voor een campagne en die moet liever vroeg dan laat de deur uit. Het lijkt gelukkig wat frisser dan de vorige dagen, het is bewolkt en ik kan me zelfs eventjes buiten zetten om te werken. Wat later komt er zelfs een regenbuitje aanwaaien en ik zet mijn planten buiten zodat ze kunnen douchen.
Blijkbaar zijn mijn tomaten ziek, de oorzaak is wellicht dat aanhoudende regen van afgelopen maand. Ik haal de aangetaste vruchten weg, snij de ongezonde bladeren weg en hoop dat het zo voldoende is. Van de onrijpe tomaten die nog enigszins te redden vallen en de oogst van een plantje dat maar pepertjes blijft produceren maak ik een chutney. Ik pluk ook wat rozemarijn, tijm en basilicum om er bij te doen, maar merk achteraf dat ik ben vergeten om die toe te voegen. Och ja, het smaakt zo ook.
Na de middag begint de temperatuur terug op te lopen en in combinatie met mijn slaaptekort van de laatste twee nachten zorgt dit ervoor dat ik weinig tot niets gedaan krijg. Te lui en te dwaas om te lezen, te lamlendig om boven op te ruimen. Het is er trouwens te drukkend en te warm, ik krijg het er benauwd. Ik hang maar wat rond op het internet, haal mijn planten binnen, vul de afwasmachine en laat een was draaien. Ik hoop dat ik straks zo moe ben dat ik als een blok in slaap val en ’s morgens terug uitgerust aan mijn dag kan beginnen. Op de tv vermijd ik het nieuws, het is ofwel te deprimerend ofwel te belachelijk voor woorden. Ik weet het wel, het gaat beter dan ooit te voren, maar ik voel teveel kwaadheid opborrelen bij elk vertoon van incompetentie, postjespakkerij, zelfbediening, machtsmisbruik, een totaal gebrek aan visie, inzicht en empathie en alle andere kwalen die de mensheid op dit moment teisteren. Dan liever wat onschuldig vertier, tot meer zijn mijn hersenen niet in staat.
De afgelopen nachten probeerde ik te slapen in de kamer van mijn dochter. De ramen wijd open, elk flauw briesje verwelkomend. Mijn buren gaan vroeg slapen, er is geen geluid van gezellige babbels in de tuin te horen. Een gele halve maan hangt in de lucht, in de verte zie ik enkele lichtjes flikkeren van de haven. In bed hoor ik de geluiden van een metaalverwerkend bedrijf dat blijkbaar dag en nacht doorwerkt. Er worden grote schepen ontmanteld en tot schroot herleid. Het lawaai geeft een apocalyptische dimensie aan de nacht: het dreunt, bromt, schraapt metaal op metaal. Doffe donderslagen wanneer een lading afval in de buik van een ruim wordt gestort, of dat stel ik me toch voor. De scene doet me altijd weer aan de film Blade Runner denken. Een postindustriële dystopie met disfunctionele robots waar het altijd regent. Ooit was dat een bron van ergernis: te veel regen, te weinig zon.
