Maandag 17 augustus

Vandaag zijn al mijn collega’s ongeveer terug aan het werk en dat laat zich voelen in mijn mailbox. Wat er aan vakantie overbleef is nu helemaal verdampt. Ik begin me zelfs al terug voor te stellen hoe dit huis eruitziet in het donker van de ochtend of ’s avonds vanaf een uur of 7. Ik kan het me maar moeilijk voorstellen, gewend als ik ben aan dit leven in het zonlicht. Alhoewel, het regent hier af en toe pijpenstelen en dat zullen mijn tomaten niet graag hebben. Het citrusboompje dat ik ooit kreeg voor mijn veertigste verjaardag belooft dan weer tientallen vruchtjes voort te brengen. Niet dat die ondingen te vreten zijn, één van mijn gasten proefde er ooit van en omschreef de smaak als zeer bitter en zuur.

Mijn straat is een Rode Zee van auto’s, met in het midden een vrijgelaten, smalle rijstrook. Mijn beide buren hebben elk twee auto’s staan. Een daarvan wordt gebruikt door mijn buurmeisje voor haar vakantiejob. In de supermarkt die op pakweg 400 meter hier vandaan ligt. Als je er goed over nadenkt is ze langer onderweg met de auto dan te voet of met de fiets. Het is ongehoorde waanzin, en ik heb zin om die mensen eens streng toe te spreken. Niet dat het iets zou uithalen natuurlijk, maar misschien zou ik beter slapen.

Als je er goed over nadenkt is het gewoon vreselijk onnozel dat zowat iedereen 1 of meer auto’s voor de deur of op de oprit heeft staan. 90% van de tijd staat dat ding stil en neemt het enkel ruimte in, liefst van al op straat. Er is geen plaats voor bomen, voor aangenaam aangelegde wegen en pleinen waar groen is of kinderen kunnen spelen, want God verhoede dat één of andere burger zijn vervuilende vierwieler niet voor de deur zou kunnen parkeren.

Wat als het nu eens verboden zou zijn om als particulier een eigen wagen te bezitten? In ruil krijg je toegang tot autodeelsystemen, een openbaar vervoer die naam waardig en worden straten aangelegd met de zwakke weggebruiker in het achterhoofd. Alternatieve vervoersmiddelen worden aantrekkelijk gemaakt, zoals gehuurde bakfietsen om boodschappen te doen voor je gezin. Overdekte, ruime en veilige stelplaatsen voor je stalen ros, dichtbij de meeste faciliteiten. Naadloze aansluitingen tussen autoparkings aan de rand van de stad die je vlot en comfortabel naar het centrum brengen. Met een beetje verbeeldingskracht zijn er weinig tot geen praktische bezwaren die je niet kunt oplossen.

Ik zeg er iets over op Twitter, een boutade, een gedachtenexperiment. Het verwondert me hoeveel mensen hun auto als HUN vrijheid beschouwen. Diegene die ooit de slogan ‘mijn auto, mijn vrijheid’ bedacht heeft dat wel geniaal gedaan. In de file staan, elke dag braaf naar je werk tuffen, je taksen en je verzekering betalen: dat is blijkbaar wat men als vrijheid definieert. Het is hoogstens makkelijk, denk ik dan. En die vrijheid van de autobestuurder houdt dan meteen ook in dat hij beslag mag leggen op grote delen van de openbare ruimte en een ontegensprekelijk gevaar vormt voor wie zich niet verplaatst in een gemotoriseerde patserbak op vier wielen.

Wat jullie vrijheid noemen, dat noem ik een tragische bloedarmoede aan ideeën en fantasie. En we dragen er allemaal de gevolgen van.

Plaats een reactie