Feest

De dagen kruipen voorbij. We zijn slaven van de sleur. Opstaan, koffie, zuchten om de staat van de keuken. De kat te eten geven, de afwasmachine vullen dan wel leegmaken. Aan het werk, elk in ons eigen hoekje. Ik hoor hem soms lachen of ‘fine, fine’ zeggen met die zware basstem van hem wanneer iemand hem vraagt hoe het gaat. Hij gniffelt omdat hij mij iemand de levieten hoort lezen. Later op de week barst er nog een etterpuist open.

Als het werk er op zit verhuizen we naar de zetel, voor mij maar een paar stappen van de tafel waar ik werk verwijderd. We slenteren naar de winkel, vragen ons af wat we zullen eten en komen steeds weer op hetzelfde uit. Spaghetti. Lasagne. Kip met curry. In deze tijd van het jaar asperges. We kijken een serie, lezen een boek. Als het weer het toelaat een wandeling door dit suburbane landschap. Auto’s in de straten, netjes aangelegde voortuintjes, ergens een gigantisch huis in Spaanse haciendastijl. Onderweg babbelen we over ons werk of vragen we ons af wat we zullen eten.

De tuin ligt er verwaarloosd bij, het is te koud of te winderig om er in bezig te zijn. Er zijn nieuwe buren en de oude heeft een heel deel begroeiing geliquideerd zodat we nu allemaal in elkaars bord kunnen kijken. Ik moet nog de rommel in het tuinhuis opruimen, sorteren en naar het containerpark brengen. De planten die de winter niet overleefden een waardig afscheid geven op de composthoop of in de GFT-bak. Ik doe het wel eens, ooit. Als het weer ons terug naar buiten lokt en de avonden voor vrienden en muziek zijn.

Onze gesprekken draaien rondjes als een vis in een bokaal. We keren steeds weer terug naar die dag toen ons leven leek te verkruimelen en wat er daarna allemaal gebeurde. De dokters die het ook niet wisten, de lange gangen van het ziekenhuis. Hoe we beiden eenzaam waren, want het allerergste dacht je wel maar je sprak het niet. Als die woorden uit je mond zouden rollen, dan werd het misschien ook zo. Dus we zeiden tegen elkaar dat het echt wel zou meevallen, dat we geluk hadden, dat de dokter zo goed was en de verpleegsters vriendelijk.

Het is pas nu dat we tijd hebben om te voelen hoe de grond onder onze voeten werd weggeslagen en hoe we ons aan elkaar hebben vastgehouden in die vrije val. En nu we weer geland zijn is het moeilijk aan te nemen dat alles weer goed is en zeker. Dat er nog jaren in het verschiet liggen en dat er meer is dan morgen, volgende week of wat daarna komt.

We hebben nood aan afleiding van onszelf en onze gedachten. Onze wereld moet weer vorm krijgen buiten onszelf, we moeten op zoek naar mooie plaatsen en mensen die we nog niet kennen.

We moeten een feest verzinnen om alles te vieren: wij, de wereld en het leven dat we gewonnen hebben.

Plaats een reactie