Retour à Reims

Vorige week, toen deze nieuwe huidhongerwinter op kousenvoetjes binnensloop en het duister al een dikke deken over de huizen en de straten had gelegd toen het nog maar halfweg de middag was, keek ik in een wanhopige poging de wanhoop te verdrijven en een greep op de wereld te krijgen naar een documentaire op Arte. Retour à Reims dus, gebaseerd op het boek van Didier Eribon. Voor wie die mens nog niet kent: Eribon valt te situeren in dezelfde hoek als Edouard Louis, even kwaad en wellicht nog een beetje zwartgalliger.

In Retour à Reims keert het hoofdpersonage terug naar zijn geboortestad waaruit hij (al leek het de hele documentaire lang voor mij een zij te zijn) was gevlucht zodra de gelegenheid zich voordeed. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en je kunt de kerel uit Reims laten weggaan maar omgekeerde doen is heel wat moeilijker. Wanneer levens onvermijdelijk ten einde lopen begint voor de achterblijvers een dwingende zoektocht naar wortels, het begin, de oorsprong van het eigen bestaan. Waar we vandaan komen bepaalt in niet onbelangrijke mate waar we zullen terechtkomen.

De documentaire schetst een grimmig beeld van het leven van de werkmens in de na-oorlogse jaren van de vorige eeuw. Haastige huwelijken, illegale abortussen, tochtige huizen en veel werken versus weinig amusement. Van de glorieuze jaren zestig en zeventig in de rest van de wereld sijpelt maar weinig door naar de arbeidersklasse, al worden er hier en daar wel sociale woningblokken opgetrokken. Maar – zo verduidelijkt de mistroostige stem bij de wazige zwartwit beelden – de gebruikt materialen hebben hun beste tijd al gehad voor de bouw helemaal voltooid is.

Midden de jaren ’70 slaat de economische crisis ook in Frankrijk hard toe, het langzame begin van het einde van de traditionele productiearbeid in West-Europa. En dan volgt het klassieke recept: hoge werkloosheidscijfers in combinatie met een desastreus migratiebeleid en een linkerzijde die geen verhaal meer heeft resulteert in onwaarschijnlijke succescijfers voor extreemrechts. Dat ook zijn eigen familie overstag gaat voor de lokroep van Le Pen is voor Eribon een reden om afstand te nemen. Zoveel jaren later gaat hij wel in gesprek met zijn moeder. Zij zegt: Ik stemde niet voor het Front National voor hun standpunten, maar wel omdat ze zich om ons leken te bekommeren. Zij hoorden ons, ze luisterden, ze spraken onze taal. We voelden bij hen niet de minachting voor wie we waren, voor de manier waarop we leefden, voor hoe we praatten. We voelden ons niet langer minderwaardig, boertig, dom, achterlijk, onbelezen.

(Het is makkelijker om antiracist te zijn in een ruim appartement in de hippe buurt van Parijs dan in een verpauperde voorstad waar de miserie op elkaar gestapeld wordt, zo luidt een interludium).

Vorig weekend stapten duizenden mensen door onze hoofdstad, elk met hun eigen motief. Het zijn onze eigen gele hesjes, onze onbegrepenen, onze afwijkelingen, onze morrelaars in de marge. En opnieuw waren we verwonderd over hun aantal, hun vastberadenheid, hun onvrede. En opnieuw waren wij daar met ons opgeheven vingertje en opnieuw zagen of hoorden wij die mensen niet.

Plaats een reactie