Met de trein naar Tienen, op bezoek bij R. die in Zoutleeuw woont. Ik kom toe rond de middag, dus we besluiten om ons op een terras te installeren om wat te eten en te drinken. Een uur of 4 later is het welletjes geweest en zet ze mij af aan het station. In de tussentijd hebben we bijgepraat over het leven, ons werk/studies, kinderen, mannen, ouders. Over onze zelven van vroeger en van nu. Over onze zachtjes ouder wordende lijven en hoe ze er uitzien, hoe ze er niet meer uitzien en wat ze nog kunnen en wat er stilletjes aan beginnen te weigeren. Hoe we daar soms vrede mee hebben en soms ook niet. Ik kijk naar foto’s van haar man en zoon die nu in Turkije zijn, op familiebezoek.
Als ik aan onze vriendschap denk, staan me vaak de Napolitaanse romans van Elena Ferrante voor de geest. In die cyclus wordt de vaak complexe vriendschapsband tussen twee meisjes en later twee vrouwen beschreven. Hun levens verlopen niet op parallelle sporen, maar meanderen elk volgens hun eigen weg. Er zijn tijden van afstand en verwijdering, gevolgd door periodes van toenadering en genegenheid die aangehaald wordt. In ‘Mijn Geniale Vriendin’ en de latere boeken wordt treffend geschetst dat een werkelijke vriendschap jaloezie, verraad, afgunst en andere intriges overleeft en dat beide protagonisten elkaar telkens weer kunnen terugvinden omdat ze ook zichzelf tegenkomen, vroeg of laat. Dat maakt het vergeven en relativeren makkelijker, eens je jezelf uit de knoop hebt geworsteld.
Ik ga niet zeggen dat onze levens zo rijk en turbulent waren als die van Lila en Elena, maar ook wij konden laveren tussen himmelhoch jauchzend en zum Tode betrübt. Al zijn de laatste jaren vooral met kabbelende beekjes te vergelijken. Dat mag ook wel eens.
