i.
Als hij zal vragen wat hij me voor het nieuwe jaar mag wensen zal ik zeggen ‘minder slapeloze nachten’ en hij zal weten dat hij het was die die doorwaakte nachten veroorzaakte.
In mij is iets wakker geworden dat nooit meer slapen gaat. Iets onverzettelijks, roekeloos bijna. Het is een dier dat niet meer getemd kan worden en alle angst in mij heeft opgegeten. Ik ben niet langer bang van de vragen en de antwoorden, van het spreken en het zwijgen. Niet van de schaamte en niet van mezelf. Vooral niet van mezelf. Niet van de afgrond, want die heeft mij opgeslokt en uitgespuwd. Niet van wat ik nog moet weten, zelfs al doet het pijn. Niet van je woorden, niet van je blik. Niet van je oordeel dat mij niet langer vangt. Niet van wat je denkt, niet van wat je zegt, niet van wat je schrijft op onbeduidende formulieren.
Ik weet weer wie ik ben en ik ben vergeten wie ik was. Ik vrees niets of niemand. Ik kan alles dragen, zelfs al ga ik even onderuit. Op een dag zul je weten wat ik bedoel, als ook jij het ergste in jezelf hebt overwonnen. Ook jij zult dan je rug rechten en de ander onverschrokken in de ogen kijken. Glimlachen, omdat je weet dat je zelf je ergste vijand bent en de overwinning hebt behaald.
ii.
Wat maakt het uit welk jaar het is? De aarde draait onverstoorbaar voort en straks zullen de dagen lengen. Het zal winter worden en daarna komt de nieuwe lente. Wij zullen verjaardagen vieren en etentjes organiseren, vrienden zien. We zullen tentoonstellingen bezoeken in vreemde steden, films bekijken in een bioscoop. We zullen concerten bijwonen en boeken lezen. In de zomer op reis en daarna terug aan het werk. Alles begint telkens weer opnieuw, tot het stopt.
Ondertussen blijf ik mij verstoppen voor deze wereld die uit elkaar lijkt te vallen. We laten alles los wat ons verbindt en menselijk maakt. Wat ons oog doet hebben voor de ander en wat die nodig heeft. In de nachtelijke straten van de stad slaapt een kind in een portiek. Ik ken het niet en ik zie het niet, maar ik weet dat het er is. Aan de Turkse kust spoelt het lichaampje van een kleuter aan die met zijn ouders de oorlog in Syrië is ontvlucht. Zijn naam was Aylan. De branding overspoelt zijn gezichtje in het zand. In de Middellandse Zee drijft het lijk van een klein, zwart meisje in een roze rokje. Verdronken op weg naar een ander en beter leven. Naar een leven dat een leven is.
In de hele wereld leven nog 30 Californische bruinvissen. 350 Sumatratijgers. 450 Anegada iguanen. De aarde gloeit als een kooltje en koelt nooit meer af. Het stormt als nooit tevoren, de eerste eilanden zinken weg. Koraalriffen sterven af, de titel in de krant zegt dat de schade niet meer te herstellen is.
De gruwel heerst in Gaza, Soedan, Oekraïne. De geschiedenis, zo liet Alexander Herzen noteren, leest als het dagboek van een krankzinnige. Er is geen doel of eindpunt, enkel eindeloze herhalingen van wreedheden, horror, sadisme, barbarij, onmenselijkheid en andere beestachtigheden. Soms ontwaken we even uit deze koortsdroom en zweren ‘nooit meer oorlog’.
Aan het tafeltje naast ons zegt een man dat we harder moeten worden. In Europa zijn we te soft, te week, te verwijfd. Te zwak, te overgevoelig en we gebruiken nog rare voornaamwoorden bovendien. In China en in Amerika is het andere koek. Keihard zijn ze daar, ze kijken niet op een mensje meer of minder. De mogelijkheden zijn er eindeloos, maar je moet de kansen wel willen grijpen. Wij zijn te laf en we vinden dat iemand anders het voor ons moet doen. We zouden beter zelf de handen uit de mouwen steken.
Ik zou willen dat we meedogenlozer waren in onze empathie. Dat we niet langer boos zouden zijn op wie nog harder de tanden op elkaar moet zetten dan wij al moeten doen. Dat we ervoor zouden zorgen dat er geen kinderen meer aanspoelen op zandstranden of aan hun einde komen in een woestijn. Dat iets zouden doen als we weten dat het ene volk het andere van de aarde veegt.
iii.
Tijdens een lezing hoor ik een man vertellen over wat kunst betekent. Je overstijgt heel even jezelf, je laat je gedachten even los. Je laat je meevoeren door een stem, een geluid, een kleur, een compositie. Dat heet schoonheid, zelfs al is het lelijk. Wat subliem is overweldigt ons, jaagt ons angst aan of stort ons in een existentiële crisis. Het kan een landschap zijn dat ons nietig maakt of een bulderende rivier. Het kan de zee zijn met zijn machtige golven.
Ik slenter door een tentoonstelling met monumentale foto’s die – zoals dat tegenwoordig gaat – dialogeren met andere werken. De foto’s doen me niet zoveel, ze zijn me te efemeer. Ik voel er niet veel bij, laat staan dat ik mezelf even achterlaat en transcendeer. Wel tuur ik naar een klein schilderijtje, dat zee en strand moet voorstellen. Het lijkt uit niet veel meer dan lijnen en wat kleuren te bestaan. Er valt melancholie af te leiden uit het zachte kleurenpalet. Even lijk ik één te zijn met de zee.
Als je me vraagt wat je me mag wensen voor het volgende jaar, dan zal ik zeggen dat ik meer lange dan korte dagen wil. Minder weerzin, minder walging, minder waanzin. Meer van wat ons mensen maakt.
