Ik was aan het scrollen door Substack toen ik een titel zag die ongeveer zo luidde: nihilisme is out, de deugdethiek is terug. Maar dan in het Engels. Ik dacht: dat lees ik later nog wel eens, maar nu vind ik het artikel niet meer terug. Maar ik blijf er wel aan denken, want het is natuurlijk heel erg logisch dat we in tijden van onzekerheid de ambiguiteit van het nihilisme inruilen voor de al dan niet vermeende zekerheid van de ethiek van de deugd.
Nietzsche – geneaologie van de moraal
Nihilisme is de filosofie van de negatie, de ontkenning. Ethisch nihilisme houdt vast aan de premisse dat er geen sluitende uitspraken te doen zijn over moraliteit. Wat goed is en wat slecht is hangt af van context, cultuur, tijdsgeest, klasse of andere factoren. Langs onze kanten is dit inzicht wellicht aan Nietzsche te danken of te wijten, die in zijn ‘Genealogie van de moraal’ op zoek gaat naar de oorsprong van goed en kwaad en wat we daaronder precies kunnen verstaan. Hij kijkt naar culturen ook lang vervlogen tijden en je hoeft geen antropoloog te zijn om te begrijpen dat moraliteit een evolutie kent. De manier waarop we ‘vroeger’ met anderen omgingen is danig veranderd, gelukkig maar. We houden er geen slaven meer op na, we vinden het niet langer verantwoord om een overwonnen vijand totaal te vernietigen op de gruwelijkste manieren denkbaar, etc. Ik weet dat we op zich niet zo heel erg ver moeten zoeken om hier en daar toch voorbeelden van het tegendeel te vinden, maar het valt niet te ontkennen dat we naar dit soort praktijken heel erg anders kijken dan in het verleden het geval was.
Voor Nietzsche is die evolutie op zich niet onverdeeld positief. Op het moment dat we andere culturen en tijden analyseren met de blik van vandaag en die als ‘sadistisch’ of ‘inhumaan’ bestempelen gaan we voorbij aan de realiteit van die culturen en tijden. De toenmalige moraal – of in onze ogen: de afwezigheid ervan – is voor hem een uiting van de levensdrift, waarbij het handelen gericht is op overleven, kost wat kost. Dominantie, agressie, macht, autoriteit, gewelddadigheid, overheersing, hegemonie … waren toen kwaliteiten die zowel het individu als naties nodig hadden om de eigen levensdrang te kunnen bestendigen. Wie een vijand meedogenloos verpletterde, zonder een greintje mededogen, was een grote leider. Geen afschuwelijke tiran.
De omslag in dit denken situeert zich voor Nietzsche in het Christendom, dat je aanmaande om de andere wang toe te keren in plaats van de eerste welgemikte vuistslag uit te delen. Hoe Nietzsche deze stelling verder uitwerkt is misschien voer voor een andere blogpost (of als je niet kunt wachten: lees Genealogie van de moraal), maar voor vandaag volstaat het om in te zien dat hij de moraliteit zoals we die kennen, eeuwig en onwrikbaar, op losse schroeven zet. De filosoof met de hamer deelt een klap uit die tot vandaag nazindert.
Deugdethiek – het goede doen omdat je een goed mens bent
We denken natuurlijk al langer dan de tijd van Nietzsche na over goed en kwaad. Voor de oude Grieken, met Aristoteles als grootste pleitbezorgen, viel de de deugd samen met karakter. Anders gezegd: je doet het goede en handelt rechtvaardig omdat je een goed mens bent. In het Oud Grieks wordt dit ἀρετή genoemd. De handeling wordt eerst en vooral beoordeeld op de intentie van diegene die ze uitvoert, minder op het gevolg ervan. De lat voor de ware deugdethici ligt hoog, omdat zowel verstand als gevoel samen het goede moeten willen en ook uitvoeren. De waarlijk deugdzame mens weet niet enkel wat het goede is, omdat hij erover nadenkt en tot de conclusie komt dat het beter is om anderen te helpen dan om dat niet te doen, hij helpt ook daadwerkelijk anderen met instemming van de emotie. Hij voelt zich niet geambeteerd omdat er weer iemand zijn hulp vraagt, integendeel: hij wordt er gelukkig van. Wie het goede doet terwijl hij eigenlijk liever het omgekeerde zou doen is wel op de goede weg, maar heeft de volmaakte deugdzaamheid nog niet bereikt.
Wat heeft dit in hemelsnaam te maken met vandaag?
Goede vraag. Laat ik beginnen met een huizenhoog cliché: we leven in onzekere tijden. De geopolitieke situatie lijkt op het strooien huisje van één van de drie biggetjes en de wolven zijn in de buurt. We zitten midden in een technologische revolutie waar we het einde niet van kunnen zien en die in combinatie met de onvoorstelbare macht van de techbro’s een apocalyptisch eindspel lijkt in te luiden. Voor alle duidelijkheid: het is niet de eerste keer dat we als mensheid denken dat het einde der tijden nabij is, voorlopig was het iedere keer vals alarm.
De opgang van artificiële intelligentie (of wat daarvoor moet doorgaan) zet nu ook nog eens onze eigen waarneming en perceptie op drijfzand. Met de hulp van slechts een klein audiofragment van onze stem kan AI die gebruiken om ons zaken te laten zeggen waar we zelfs nog niet van zouden durven dromen. Dit soort techniek wordt nu al gebruikt om mensen te laten geloven dat ze met een familielid aan de lijn hangen terwijl ze geld overschrijven naar de rekeningen van de oplichters. Hoewel fotomanipulatie al sinds jaar en dag een dingetje is, wordt het spel nu naar onvoorstelbaar niveau getild. Deep fakes worden in een handomdraai gegenereerd (enfin, geen handomdraai, maar toch in een zeer korte tijdspanne) en mensen die we vertrouwen verschijnen in videofragmenten waar onze ogen van uit onze kassen rollen. Wat echt is en wat niet, we hebben er tegenwoordig het raden naar.
Dat is misschien ook de reden waarom de deugdethiek vandaag opnieuw zo aantrekkelijk wordt. In een wereld waarin bewijzen manipuleerbaar zijn, wordt karakter opnieuw een vorm van zekerheid. Of op zijn minst van relatieve zekerheid. Als ik niet langer zonder meer kan vertrouwen op wat ik zie, hoor of lees, dan rest mij wel nog de vraag: wie is de persoon die hier spreekt, handelt of beslist? Niet: is dit filmpje echt? Wel: is dit iets wat bij deze mens past? Is dit iemand die de gewoonte heeft te liegen en te bedriegen, of is het iemand die in zijn handelen blijk geeft van moed, matigheid, eerlijkheid en zorgvuldigheid? De Aristoteliaanse deugden, zeg maar.
Vandaag de dag wordt de beoordeling van het karakter van de ander belangrijker dan ooit om enige vorm van zekerheid te verwerven. Volgens Aristoteles handelt de deugdzame mens correct omdat hij door oefening, gewoonte en inzicht een bepaald soort individu geworden is. Morele betrouwbaarheid zit niet in één geïsoleerde daad, maar in consistent en coherent handelen. Daarop kunnen we wél vertrouwen in een tijd waarin afzonderlijke feiten steeds makkelijker te vervalsen zijn. De eerlijkheid en de rechtvaardigheid die we telkens weer opmerken in iemand, of net niet.
Dat betekent natuurlijk niet dat de deugdethiek ons plots een glazen bol geeft. Ook een op het eerste zicht rechtschapen mens zal soms liegen, falen of zichzelf mooier voordoen dan hij is. In een cultuur die drijft op imago, personal branding en permanente zichtbaarheid is het perfect mogelijk om de schijn van deugd te cultiveren zonder de werkelijkheid ervan te belichamen. Maar ook dat inzicht past eigenlijk helemaal bij de deugdethiek zelf: deugd is geen pose, geen morele marketing, maar iets wat zichtbaar wordt in herhaling, in frictie, in moeilijke omstandigheden. Niet in het zorgvuldig gecureerde zelf, maar in wat iemand doet wanneer er echt iets op het spel staat.
Misschien verklaart dat ook waarom we vandaag opnieuw zoveel belang hechten aan begrippen als integriteit, authenticiteit en betrouwbaarheid. Dat zijn geen spectaculaire woorden. Ze hebben niets van het heroïsche of flamboyante dat ooit met macht, dominantie of transgressie werd geassocieerd. Maar in tijden van verwarring worden ze plots kostbaar. Wie consequent waarachtig spreekt, wie niet bij elke tegenwind van overtuiging wisselt, wie zijn macht niet misbruikt wanneer hij ermee weg zou kunnen komen, wordt opnieuw leesbaar voor anderen. En net die leesbaarheid is vandaag bijna een morele luxe geworden.
Het nihilisme heeft ons geleerd dat waarden niet zomaar uit de hemel vallen, dat moraal historisch gegroeid, cultureel gekleurd en vaak doordrongen is van macht. Die inzichten blijven geldig. Maar precies omdat de grond onder onze voeten beweegt, ontstaat de behoefte aan iets dat minder broos is dan een losse opinie of een algoritmisch versterkte verontwaardiging. De deugdethiek belooft geen onwrikbare waarheid; ze suggereert wel dat er zoiets bestaat als een betrouwbare mens.
En dat is vandaag de dag al veel. In een tijdperk waarin we niet meer goed weten wat we mogen geloven, wordt de vraag opnieuw wie we mogen vertrouwen. En op die vraag antwoordt de deugdethiek niet met een theorie, maar met een mensbeeld.
