Luiselli kan in nogal wat kringen op heel wat bijval rekenen. In mijn uitgave van Valse Papieren was er een voorwoord van Cees Nooteboom die zijn lof voor haar niet onder stoelen of banken steekt. Op de achterflap wordt het werk geprezen als een pracht van een autobiografische roman, die tegelijkertijd een glimp geef van literatuur in haar puurste vorm. De taalfout in de vorige zin is een beetje exemplarisch, zo las ik ergens ook in het boekje dat ‘mijn buren een even kleurloos bestaan lijden als ik’. Uiteraard kan deze krakkemikkige vertaling niet op conto van Luiselli geschreven worden, maar je vraagt je wel af of een novelle van ochot ochère 120 bladzijden door de uitgever bejubeld moet worden als ‘een nieuw genre, weliswaar in de traditie van W.G. Sebald, Teju Cole en Joseph Brodsky’. Dat zijn zeer grote schoenen die gevuld moeten worden.
Na de lezing van het boek snap ik die ietwat pompeuze aanprijzingen beter: de fragmentaire gedachtenmijmeringen die Luiselli in Valse Papieren aan het papier heeft toevertrouwd zijn zelf ook niet gespeend van enige hoogdravendheid. Het lijkt geschreven door iemand die net een studie of een doctoraat letterkunde heeft afgerond en die ervan uitgaat dat Brodsky, Wittgenstein, Proust en anderen namen zijn die in elk huishouden voor de vuist weg geciteerd worden. Een citaat wordt dan in enkele regels verder geëxploreerd, zonder dat er veel diepgang aan te pas komt. En hop, daar is alweer de volgende gedachte die onder een nieuwe titel als vernieuwend inzicht aan de lezer wordt gepresenteerd. Tussenin wordt het geheel opgevuld met anecdotes en kleine belevenissen uit haar eigen leven.
Als blog zou het geheel mooi werken, als baanbrekend debuut blijft het steken in academische wijsheidjes rondstrooien en legt het op zeer treffende wijze bloot dat levenswijsheid en ervaring niet voor de jaren komt.
