Zondag 9 augustus

Het is ongeveer kwart voor zes wanneer de keffer van Wasserij Sint-Rita mij wakker blaft. Het schemert nog een beetje, ik kijk door het raam om na te gaan waar de kat is. Zij is wellicht de oorzaak van al dat lawaai, maar ondertussen is ze al op het platte dak gesprongen. Ik probeer nog wat weg te doezelen, maar dat wordt niets. Bovendien had ik me voorgenomen om vroeg wakker te worden, zodat ik nog wat kon profiteren van enkele uren zonder moordende hitte die zowel mijn lijf als mij brein tot pulp slaat. Het ritme dat ik voor ogen heb is heel vroeg opstaan, dingen doen. Tijdens de warmste uren van de dagen lanterfanten en bijslapen. Daarna nog wat genieten van de avondlijke uren in de tuin, wat creatief en productief zijn. Daarna hopelijk slapen en de volgende morgen opnieuw beginnen.

Beneden zet ik koffie, geef de poes eten. Het kan haar al helemaal niet meer schelen dat ze de afgelopen twee weken schandelijk werd verwaarloosd omdat we op reis waren.

In de tuin is het stil en aangenaam van temperatuur. Ik snoei de vlinderstruik wat bij in de hoop dat die binnen enkele weken opnieuw wat bloemen geeft. Niet dat ik er dit jaar veel vlinders van gebruik zag maken, maar het oogt wel mooi. In de moestuin moet dringend gewied worden, de tomatenplanten nodig ingekort. Als ik ze laat doen nemen ze alles over, worden ze één en al blad en stengels en weinig tomaat.

Onder het wieden en het knippen dwalen mijn gedachten opnieuw af naar het trieste lot van Sanda Dia. Toen ik begon te studeren in Gent zag ik aan het begin van het academiejaar rijen studenten in witte stofjassen op handen en knieën schuifelen door de Overpoortstraat. Er zat bloem in hun haar, of andere onbestemde substanties. Ik vond het een onzinnig zicht, kon me niet voorstellen dat iemand zich daar vrijwillig aan wilde onderwerpen. Het bekijken alleen al vond ik al beschamend. Ik heb weinig gelezen over de hele Reuzegom-heisa, had geen behoefte aan de confrontatie met gruwelijke details die al te zeer tot de verbeelding spreken. Het ene artikel dat ik las bevatte fragmenten uit het verhoor van de zoon van Cathy Berx, de gouverneur van Antwerpen. Het begint me te dagen dat dit soort clubs voornamelijk de voortzetting beogen van het ‘old boys network’. De jongelingen worden geacht hun plaats te kennen in de maatschappij, ’t is te zeggen: aan de top ervan. Het zijn zij die de mond vol hebben van ‘kansen grijpen’ en ‘je best doen’ om ergens te geraken die hun kinderen al van jongs af aan met de paplepel ingeven dat het belangrijker is wie je kent dan wat je doet. Om die banden te smeden tot staal is een ritueel nodig, een verbond dat ook standhoudt na de studies. Door je te onderwerpen aan de vernederingen, de pijn, de koude, het groteske, laat je zien dat je er echt bij wil horen. Wie het overleeft ziet zijn inspanningen renderen: in je contactenlijst staan huidige en toekomstige magistraten, rechters, commissarissen, CEO’s, professoren en hoogleraren. Vette verdieners die aan jou zullen denken voor een job, een klus, een zaakje.

Later, als je ooit in de problemen zit of iets nodig hebt, hoef jij niet te wachten in koude gangen die ruiken als je oude school. Je hoeft niet door het administratieve labyrinth die alles vertraagt, ophoudt, kwijtspeelt, doodloopt. Jij belt iemand die iemand kent, die weet waar je moet zijn en bezorgt je een afspraak. Jij wordt berecht en bestuurd door mensen die zijn zoals jij, die komen waar jij komt, die sporten waar jij sport, die wonen waar jij woont.

due-diligence-old-boys-club-1440x564_c

Plaats een reactie