Net op het moment dat Verhaeghe een nieuw boek uitbrengt, heb ik afgelopen weekend zijn werk uit 2009 ‘Het einde van de psychotherapie’ uitgelezen. Daarin voorspelt hij op geheel eigen wijze de teloorgang van de psychotherapie ten voordele van pillen en gestandaardiseerde en geprotocolleerde turbomethodes enkel en alleen gericht op oplapwerk zodat mensen snel terug aan het werk kunnen. Ongeveer 15 jaar later kunnen we gelukkig constateren dat de man ongelijk heeft gehad: het maatschappelijke debat rond mentale gezondheid is prominent aanwezig en er werd een poging gedaan om psychologische hulp toegankelijker te maken. Neemt niet weg dat er natuurlijk nog altijd zeer veel medicatie geslikt wordt en dat het met ‘de jeugd van tegenwoordig’ op mentaal vlak niet goed gaat.
Maar terug naar het boek.
In de eerste hoofdstukken schetst Verhaeghe – nog maar eens – hoe de wereld en het maatschappelijke weefsel ten onder gaat aan de duivel ‘neoliberalisme’ genaamd. Boude stellingen zoals ‘ADHD is de norm, flexibiliteit een verplichting, en burn-out het gevolg’. Het slaat allemaal nergens op, maar het bekt lekker en bij de groeiende achterban van Verhaeghe wordt het natuurlijk geslikt als zoete koek.
Al die maatschappelijke ontwrichting zoals gezien door de gitzwarte bril van Verhaeghe moet natuurlijk effect hebben op zijn patiëntenbestand. Tegenwoordig (= in 2009) krijgt Verhaeghe voornamelijk patiënten over de vloer die hij onder de noemer ‘actuaalpathologie’ catalogeert. Kort gezegd ziet hij nu mensen die:
- Lijden aan vage angstgevoelens, depressie en een algemeen gevoel van leegheid.
- Deze symptomen bestrijden via lichamelijke weg (drugs, alcohol, zelfverminking, seksuele uitspattingen, fanatiek sporten, …)
- Er niet in slagen om samen met de therapeut (in zijn geval de psychoanalyticus) te reflecteren over de eigen levensloop en context om het probleem van innerlijke spanning op te lossen.
- Weinig vertrouwen hebben en zelfs wantrouwig staan tov de therapeut.
- Een onmiddellijke oplossing eisen die van buitenaf moet komen (een pil).
In eerste instantie lijkt Verhaeghe niet goed wat hij met deze patiëntengroep aan moet, aangezien het hen aan een taal ontbreekt om te benoemen wat hun probleem is. Bovendien lijken ze geen idee te hebben van welke gebeurtenissen in hun leven eventueel aan de grondslag zouden kunnen liggen voor hun wanhoop. Later in het boek reikt hij gelukkig toch nog een aantal methodieken aan die tot een opening en uiteindelijk de oplossing van het innerlijke conflict zouden kunnen leiden.
In de volgende hoofdstukken toont Verhaeghe overtuigend aan dat de vraag naar een wetenschappelijke onderbouwing van de psychotherapie op een verkeerde manier wordt aangepakt. Hij begint bij de Bijbel van de psychodiagnostiek, de DSM. In dat werk wordt een poging gedaan om op basis van symptoombeschrijving een aantal mentale stoornissen of aandoeningen te catalogeren. De reden daarvoor hoeft niet ver gezocht: wie bij een dokter, psychiater of psycholoog te rade gaat met pakweg depressieve klachten heeft grote kans om bij verschillende mensen en verschillende diagnose en dus ook behandeling voorgeschreven te krijgen. In eerste instantie is de DSM dan ook een poging geweest om tot meer standaardisering te komen op vlak van psychodiagnostiek. Dat is redelijk spectaculair mislukt volgens Verhaeghe (en hij haalt een aantal goede argumenten aan om dat te staven), maar desalniettemin wordt deze Bijbel nagenoeg overal ter wereld gebruikt om diagnoses en comorbiditeiten vast te stellen en behandelingen voor te schrijven. Dat laatste vooral in landen waar private gezondheidsverzekeraars hun terugbetalingen linken aan de DSM en de voorgeschreven behandeling.
In een poging om psychotherapie meer wetenschappelijke onderbouwing en legitimiteit te bezorgen heeft men haar aan de empirische wetenschappelijke methode onderworpen. Verhaeghe maakt brandhout van deze methodiek: de patiëntenpopulatie werd voor de dubbelblind testen zodanig uitgezuiverd dat ze nog maar weinig raakpunten vertoont met de ‘echte’ patiënten die zich bij de psychotherapeut aanbieden. Zo mochten er bijvoorbeeld geen comorbiditeiten voorkomen en mocht de behandeling maximum 16 sessies beslaan. De patiëntenpopulatie werd achteraf ook niet gemonitord (hoeveel herval is er?). Daarnaast moesten alle therapeuten hetzelfde protocol volgen (logisch in een dubbelblindtest), waardoor er van therapie afgestemd op de noden en de context van de patiënt natuurlijk geen sprake was.
Opnieuw toont Verhaeghe bijzonder overtuigend aan waarom de empirische methodiek niet kan werken om de effectiviteit van verschillende soorten psychotherapieën vast te stellen. Bij kwalitatief onderzoek komt ook steeds ‘de therapeutische relatie’ als een kritische succesfactor bovendrijven. Anders gezegd: de ‘klik’ met de therapeut speelt een doorslaggevende rol. Op een bepaald moment gaat Verhaeghe zelfs zover dat hij elk onderzoek naar wetenschappelijke onderbouwing en efficiëntie/effectiviteit van de verschillende psychotherapieën afwijst: het is toch allemaal maar om te kunnen besparen, dus laat het dan maar zitten. Ik ben het daar niet mee eens: patiënten hebben er alle belang bij om zo goed en snel mogelijk geholpen te worden. Er is niets op tegen om mensen zo snel mogelijk hun levenskwaliteit terug te geven, integendeel. Daar zit geen economische logica achter, wel de morele en ethische plicht om goed voor je patiënten te zorgen.
Een andere denkfout die Verhaeghe hier ook maakt volgens mij is dat hij niet voorbij de particuliere situatie van een patiënt geraakt. Uiteraard is elke patiënt anders en heeft hij/zij een bijzonder individuele context die hem/haar uniek maakt en op wie de therapeut telkens weer anders zal moeten inspelen. Maar feit blijft wel dat we als individuen hoogst onvoorspelbaar zijn maar paradoxaal genoeg in groep reageren we bijzonder clichématig. Als ervaren therapeut heeft Verhaeghe zelf ook ongetwijfeld patronen in zijn patiëntenpopulatie ontdekt. Het is net met die patronen dat de wetenschap wel aan de slag kan om voor verschillende ziektebeelden – zelfs met gecombineerde aandoeningen (comorbiditeiten) – een efficiënte therapievorm te definiëren. Het zal wel vloeken in de kerk zijn, maar Artificiële Intelligentie kan hier wellicht een rol in spelen.
Om te eindigen nog dit. Verhaeghe is op zijn sterkst als hij zich bij de feiten houdt (al zal hij mij voor die uitspraak verwijten dat ik een fixatie heb op het Imaginaire). Dit boek was veel krachtiger geweest als hij zich had beperkt tot de aantoonbare bedenkelijke praktijken van de farmaceutische industrie en de manier waarop de empirische methodiek onbruikbaar is om de psychotherapie wetenschappelijk te onderbouwen. Zijn shtick om het voortdurend over de DSMbilisring te hebben is behoorlijk overbodig en wijst op azijnpisserij. Ook de doembeelden over hoe we in de slechtst denkbare maatschappij leven, hoe alles naar de kloten is en wat nog niet naar de kloten is binnenkort sowieso naar de kloten zal gaan maken zijn gepreek bij momenten onverdraaglijk.
Maar Paul zal altijd Paul blijven, en when you’re a hammer, everything looks like a nail.
