‘I was asleep when he died‘ is een openingszin die kan tellen. Patti Smith opent er ‘Just Kids’ mee en het gaat over Robert Mapplethorpe. De kids van nu zullen niet meer weten wie hij was, en je kunt het hen niet eens kwalijk nemen. Ik kan niet eens beweren dat ik wist wie hij was toen hij nog leefde. Het is pas jaren na zijn dood in 1989 dat ik hem ontdekte, toen het internet mij zijn foto’s liet ontdekken. De onwaarschijnlijk sensuele close-ups van orchideeën en andere bloemen. De gespierde mannenlijven, zijn treffende portretten. Allemaal haarscherp en onveranderlijk zwart/wit.
Uiteindelijk werd hij het zoveelste slachtoffer van de AIDS-pandemie die in de jaren tachtig zoveel levens eiste in de New Yorkse art scene. Elders ook natuurlijk, maar wellicht zijn de doden in New York uiteindelijk beter gedocumenteerd, omdat er veel artiesten tussen zaten waardoor ook andere mensen het erg vonden dat ze veel te vroeg aan hun einde kwamen. ‘Just Kids’ is Patti Smiths relaas over haar relatie met Mapplethorpe, die begon ergens eind de jaren zestig. Ik zit in de helft van het boek en Mapplethorpe heeft net een Polaroid gekregen en begint er mee te experimenteren. De jaren zeventig zijn net begonnen en Robert begint uit de kast te komen. Een moeizaam proces voor een jongeman die zich moet losworstelen van een streng katholieke opvoeding.
Zowel Patti als Robert zijn nog jonkies, just kids eigenlijk, als ze elkaar in New York bij toeval ontmoeten. Smith is op de vlucht voor het trauma van een ongeplande zwangerschap die eindigt met de adoptie van haar baby. Negentien is ze dan en daarna wil het met de studie niet echt lukken. Wat doet een mens dan? Juist ja, inpakken en wegwezen. Naar New-York, toen ook al het epicentrum van de wereld. Met een handvol dollars op zak en kop vol dromen. Min of meer dakloos, maar vastberaden en zonder een weg terug ploetert ze tot ze min of meer op haar pootjes valt. Zij zorgt voor stabiliteit terwijl Mapplethorpe het artistieke Noorden op het kompas blijft varen.
Ze verblijven langere tijd in het Chelsea Hotel, waar je toen voor een appel en een ei een kamer kon huren. Of toch een bezemhok dat voor een kamer moest doorgaan. Dat je in de lobby Janis Joplin, Edie Sedgwick of William S. Burroughs tegen het lijf kon lopen maakte natuurlijk veel goed. Smith laaft zich ook aan de geesten van Dylan Thomas of Oscar Wilde die er ooit ook verbleven. Leonard Cohen vereeuwigde zowel het Chelsea Hotel als Janis Joplin in één van zijn songs.
And I remember you well in Chelsea Hotel
You were famous, your heart was a legend
You told me again you preferred handsome men
But for me, you would make an exception
Just Kids heeft nergens de bijtende kracht van Wojanarowicz’ ‘Close to the knives’. Op dit moment (ergens halverwege het boek dus) cijfert ze zichzelf nog volledig weg ter meerdere eer en glorie van haar lief en idool Mapplethorpe (iets wat ik ooit ook opmerkte bij Connie Palmen in haar I.M over Ischa Meijer). Ik vind dat gedrag van vrouwen die ik als onafhankelijk en artistiek op eigen benen staand altijd moeilijk te plaatsen. Dat zelfs deze vrouwen het op een bepaald moment nodig achten om hun eigen behoeften weg te bergen om een man op weg te helpen, het blijft voor mij een raadsel.
Nu ja, uiteindelijk komt het uiteindelijk wel allemaal goed. Behalve dan dat Mapplethorpe doodgaat. En Ischa Meijer ook.
