“We komen hier snel op terug”, had hij geschreven. Dat was twee weken geleden en niemand was er in die tijd op teruggekomen. Misschien leeft hij op een toverberg, dacht ik, waar de tijd nu eenmaal anders leeft dan hier beneden. Soms is de tijd dik en traag als lava. Elk moment van elke dag sleept zich voorbij. De tijd stapt als een grijsaard, voetje voor voetje. Je kijkt op de klok en de wijzers lijken wel bevroren.
Dan stroomt alles weer snel als een bergrivier in de lente. Elke seconde is gevuld met indrukken, gedachten, belevenissen, ervaringen, beslissingen, gesprekken. Je bloeddruk schiet de hoogte in, je vingers vliegen over de toetsen, er wachten mensen aan de deur. Er is geen rust, de maalstroom gaat maar door en door en door. Je kijkt op de klok en de dag haastte zich alweer voorbij.
Ondertussen wacht ik op een onvermijdelijk bericht dat zal komen als het donker is. Een bijlslag zonder genade. Ik ben het laatste punt op de lijst van alles wat nog afgewerkt moet worden. Ik ben een geval dat over het laatste verlof getild mag worden, want ik ben niet dringend of belangrijk. Ik ben een variapunt dat ooit aan bod zal moeten komen, alleen niet nu. Ik ben verdaagd voor onbepaalde tijd, zoals ook de tijd op de toverberg zich niet laat bepalen door uren, dagen, maanden zoals wij die kennen.
Ik besta enkel nog in mijn eigen hoofd. In mijn gedachten die krioelen als vissen in poel, elke seconde dat ik wakker ben. Als een trein razen ze voort, ze ijlen maar verder en verder en verder, naar een onbestaand eindstation. Er is geen stoppen aan, uit elk idee vloeit een ander voort. Mijn brein is een bioscoop met een non-stop programmatie aan absurdistische film waarin ik telkens weer de hoofdrol speel.
In dit voorgeborchte kampeer ik ergens aan de rand het leven. Ik ben een schaduw in mijn eigen existentie. Ik ben er, maar toch ook niet. Ik besta nog op papier, als een cijfer (1 VTE) in een excelfile, lichtgrijs gekleurd. Ik snak naar het binaire bestaan van er te zijn of niet. Niet dit halve leven van op de zijlijn, terwijl de uren en de dagen tot een grauwe brij vermalen worden. Niet dit ambigue half-leven waarin niets echt lijkt.
In het verleden gebeurt er niets meer. Ik las het ooit bij zo’n new-age goeroe die van onbewogenheid zijn beroep had gemaakt en er zijn bankrekening mee spekte. Ik vond het slim, toen. Het betekende dat je het verleden kon doodverklaren en begraven. Een grafsteen er op en klaar. Hoogstens ging je nog eens langs op verloren zondag in de kilte van november, omdat je nu eenmaal doet wat hoort. En de doden bleven dood. Wie deed je nog wat?
Vandaag weet ik wel beter. Het verleden is een aardbeving en elke naschok is een verrassing. Diep onder je oppervlak verschuiven ongemerkt tektonische platen, die wat je ooit vergeten was terug naar boven stuwen. Plots is daar een halve herinnering, een opgegeven geur die plots weer tot leven komt. Je hart doet plots pijn, zonder dat je weet waarom. Er is een droom die je overvalt en je hart doet bonzen in je slaap. Zwetend word je wakker en het donker staart je aan met duizend ogen. Je bent nooit alleen als angst je gezelschap is.
