Academische vrijheid moet tegenwoordig ook ‘rassenwetenschap’ omvatten. Genetische verschillen die een verschil in IQ zouden moeten verklaren, zodat we zwarte kindjes opnieuw in aparte klasjes kunnen steken met onderwijs aangepast aan het veronderstelde gemiddelde niveau van hun herkomstgroep.
Hereditaristen verbloemen hun conclusies en Cofnas zegt zelf niet voor segregatie in het onderwijs te pleiten, maar als je onderwijs organiseert op basis van groepsgemiddelden, blijft afkomst uiteindelijk wel het enige criterium dat overblijft.
Het is een kwestie van tijd voor in de faculteit geneeskunde opnieuw schedelmetingen worden geïntroduceerd om te bepalen of iemand al dan niet aanleg heeft om criminele feiten te plegen. In de geografie zullen we ernstig onderzoeken of de aarde dan toch niet plat blijkt te zijn. In de astronomie moet er bestudeerd worden of de stand van de sterren op het moment van iemands geboorte het karakter bepaalt. Ik weet het, die voorstellen zouden weggelachen worden en we zouden de persoon die het voorstel meewarig aankijken en besluiten dat zo iemand helemaal geen plaats moet hebben in de academische wereld, maar eventueel in een volkcafé zijn wijsheden kan verkondigen. Allicht zullen er een paar licht beschonken toehoorders zijn die zullen zeggen dat Jos gelijk heeft.
Academische vrijheid betekent dat we er vrede mee hebben dat onwelgevallige hypothese onderzocht moeten kunnen worden. Het betekent niet dat dat iedere hypothese daardoor automatisch wetenschappelijk relevant, plausibel is of goed onderbouwd wordt.
Een verschil vaststellen is niet een verschil verklaren
Laat ons wel wezen: de academische consensus rond het thema IQ/ras is overweldigend.
Ten eerste: ras is geen set van genetisch scherp afgebakende biologische categorieën. Er bestaan natuurlijk genetische verschillen tussen populaties en patronen van genetische ancestrie, maar die vallen niet samen met raciale categorieën die we in het dagelijks taalgebruik hanteren. Op basis van zijn afkomst zou je kunnen beweren dat Barack Obama even wit als zwart is.
Ten tweede is er overeenstemming over het feit dat IQ binnen populaties erfelijk is en ten derde zijn de meeste wetenschappers het er over eens dat er geen bewijs is dat de groepsverschillen genetisch zijn.
In het hereditaristische debat worden drie verschillende beweringen vaak op slinkse wijze aan elkaar gekoppeld:
- bepaalde groepen verschillen gemiddeld van elkaar in IQ-scores;
- individuele verschillen in IQ binnen een populatie zijn gedeeltelijk erfelijk;
- de verschillen tussen de gemiddelden van die groepen zijn dus genetisch bepaald.
Maar uit de eerste twee beweringen volgt de derde niet, en al helemaal niet automatisch.
Lengte is ook in belangrijke mate erfelijk binnen populaties. Maar dat verschil in gemiddelde lengte tussen twee populaties wordt niet noodzakelijk door genetische verschillen veroorzaakt. Voeding, gezondheid, leefomgeving en andere omgevingsfactoren kunnen daarin een rol spelen.
Een verschil meten is dus iets anders dan de oorzaak van dat verschil kennen.
Mogen we de vraag dan niet stellen?
Cofnas plaatst zichzelf met zijn hereditaristische positie duidelijk buiten de brede wetenschappelijke consensus. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Wetenschap heeft er alle belang bij dat dominante verklaringen kunnen worden uitgedaagd.
Maar dan moet er wel sprake zijn van een onderzoeksvraag die op een zinvolle manier kan worden onderzocht. En dat is natuurlijk wat Cofnas niet doet. In plaats van een onderzoeksvraag te formuleren en die door middel van onderzoek te beantwoorden roept hij op tot een hereditaire revolutie. Zijn conclusies over wie welke posities in de samenleving en in de academische wereld zou innemen liggen al klaar. Wie de uitkomst al kent nog voor het onderzoek werd gevoerd en enkel nog bewijs zoekt is een ideoloog en een activist. Geen academicus.
Vandaag zie ik her en der mensen op sociale media beweren dat de vraag ‘zijn zwarte mensen genetisch voorbestemd om minder intelligent te zijn dan bvb. Aziaten’ interessant zou zijn. Dat is ze niet en dat heeft weinig met ‘gevoeligheden’ te maken, zoals Cofnas het graag voorstelt. Om te beginnen moet je helder kunnen definiëren wat de groepen zijn waarover je spreekt. Klassieke raciale categorieën zijn geen vanzelfsprekende biologische eenheden. Daarna moet je kunnen bepalen wat precies wordt bedoeld met ‘intelligentie’, welke meting daarvoor geschikt is en hoe je het effect van genetische factoren kunt onderscheiden van een enorme hoeveelheid omgevingsfactoren.
Zonder heldere begrippen en zonder een toetsbare methode heb je geen onderzoeksvraag. Je hebt een uitnodiging tot nattevingerwerk.
Maar kijk, blijkbaar is er veel behoefte aan speculatie over zogenaamde verschillen in intelligentie over verschillende rassen heen. Die speculatie is op zichzelf al bijzonder kwalijk: in tijden van memes en soundbites verspreiden deze ongegronde denkbeelden zich razendsnel, zeker in de populaire cultuur. Ze versterkt stereotypen en dwingt mensen met een bepaalde achtergrond zich te verdedigen tegen een zinloze aanname die niemand hard kan maken.
Wat is intelligentie en kun je het meten met een IQ-test?
Daarnaast is er de vraag wat intelligentie is en wat een IQ-test precies meet. In de praktijk houden we het erop dat intelligentie is wat een IQ-test meet. Dat klinkt circulairder dan het in wezen is. De APA-werkgroepen omschrijven intelligentie als het vermogen om te redeneren, te plannen, abstract te denken, complexe ideeën te vatten en te leren van ervaring. Dat verschillende cognitieve taken onderling samenhangen is een empirisch gegeven en daaruit volgt het het psychometrische construct dat we als algemene cognitieve vaardigheid of g kennen. IQ-testen zijn gestandaardiseerd, leveren bij herhaalde metingen redelijk consistente resultaten op en kunnen bepaalde uitkomsten, zoals schoolprestaties, beroepsmatige trajecten en gezonde jaren voorspellen.
Maar wat mensen vaak verkeerd begrijpen is dat je score een relatief en geen absoluut cijfer is. Het getal zegt waar je staat ten opzichte van een specifieke vergelijkingsgroep op een specifiek moment en scoort je op taken die een bepaalde scholingsgraad of culturele achtergrond veronderstellen. De score is geen absolute maatstaf van ‘menselijke intelligentie’ met een natuurlijk nulpunt en een vaste meeteenheid zoals lengte of gewicht. Dat maakt dat een intelligentietest bruikbaar in een specifieke context: om een leerstoornis op te sporen of bij een individu cognitieve vooruit- of achteruitgang te meten.
De uitslag zegt niets over de oorzaak van verschillen binnen bepaalde populaties. Het is niet omdat een bepaalde groep systematisch lager scoort dat daaruit logischerwijs de conclusie voortvloeit dat dat het gevolg is van aangeboren elementen. In het heriditaire betoog van Cofnas en co valt het onderscheid tussen meting en conclusie weg. Eerst wordt een verschil vastgesteld. Vervolgens wordt aangenomen dat het verschil een genetische oorsprong heeft. En daarna wordt op basis daarvan nagedacht over de manier waarop onderwijs, werk en maatschappelijke posities zouden moeten worden georganiseerd.
Dat is geen neutrale gevolgtrekking uit de data. Dat is een ideologische stap die tussen de meting en de conclusie wordt gesmokkeld. Ik moet er geen tekeningetje bij maken om a/ te duiden waarom ze dat doen en b/ om uit te leggen dat dit het tegengestelde is van wetenschap bedrijven.
Als meten weten wordt
Tot slot kun je je ook afvragen waarom de intelligentie die hierboven beschreven wordt cultureel zo belangrijk is. Zou het zijn omdat we het adagium ‘meten is weten’ net iets te veel gewicht zijn gaan geven?
Praktisch inzicht, creativiteit, vakmanschap, empathie, het vermogen om interpersoonlijke relaties aan te gaan, de zorg voor anderen op zich te nemen, … Het zijn allemaal eigenschappen die veel moeilijker in een getal te vangen zijn, maar die wezenlijk ons mens-zijn bepalen. In een discussie die draait om meetbaarheid verdwijnt alles wat we niet op een schaal kunnen vastleggen al gauw buiten beeld en wordt het vanzelf onbelangrijk.
