Mijn vader overleed op 14 september 2026. Hij was al een tijdje ziek, Lewy-Body Dementie. De laatste paar weken was hij heel erg achteruitgegaan. Zo wist hij in augustus van de ene op de andere dag niet meer hoe hij moest stappen. Daarna ging het slikken maar moeizaam, tot hij stopte met eten en drinken.
Gisteren namen we afscheid van hem. Onderstaande tekst las ik toen voor.
Wanneer je in het leven een zekere leeftijd bereikt, ergens halverwege de veertig laat ons zeggen, merk je dat je de gebeurtenissen die op je pad komen begint te herkennen. De liefde die niet eeuwig blijkt, de ruzie die uiteindelijk weer overwaait, de storm die tegen het ochtendgloren gaat liggen. De borden die rondgaan terwijl de vrienden aanschuiven, het feest dat losbarst, de zenuwen van daarvoor allang vergeten.
Je hebt het allemaal al eens meegemaakt en je hebt geleerd dat het uiteindelijk wel lukt, en als dat niet vandaag is, dan wel de volgende keer.
Ervaring, noemen we dat.
Een ouder verliezen, daar kun je moeilijk ervaring in opdoen. Hoogstens gebeurt het twee keer in je leven, en dat is bijlange niet genoeg om er bijzonder bedreven in te raken.
Wanneer het gebeurt vaar je wat blind en niet langer op kompas. Het enige dat je weet is dat je je ook wel hierdoor zult spartelen, op de een of andere manier.
Zonet hoorden jullie het levensverhaal van mijn vader. Of toch hoe dat werd omlijnd door allerlei feiten: waar en wanneer hij werd geboren en waar en wanneer hij het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Waar hij woonde en wat hij studeerde, wat voor werk hij deed. Wat zijn hobby’s waren. Straks volgen er getuigenissen van mensen die hem hebben gekend. Anekdotes van vrienden en kennissen.
Een man is nooit alleen een vader. Hij is ook de echtgenoot, de vriend, de collega, de broer, de schoonvader, de oom, de grootvader. Een mens wordt door vele ogen gezien en onder elke blik ben je iemand anders.
Voor mij en voor mijn zussen was hij vader, al wist hij dat op het einde niet meer zo goed. Daar kon hij zelf niets aan doen, dus dat is hem niet kwalijk te nemen. Toen we nog kleiner en jonger waren wist hij het wel. Wij groeiden op in de jaren zeventig en tachtig, in een huis aan een stille straat in Sint-Pieters bij Brugge. Tijdens de vakanties speelden we op het plein dat voor de deur lag, of we fietsten door de buurt. Voor veel auto’s hoefden we nog niet uit te kijken, al werd ons territorium afgebakend door de grote steenweg waar er wel veel verkeer was.
We hadden een grote tuin. Eerst werd daar een moestuin in aangelegd, want zo was het ook bij zijn ouders. Lang heeft hij dat niet volgehouden, wellicht door een gebrek aan geduld of goesting om er veel mee bezig te zijn. Daarna volgden er kippen, tot grote wanhoop van de buren die in de zomer de geur van kippenmest moesten verdragen. Toen gingen ook de kippen dood en bleef er nog het fietsen over. De tuin verwilderde, en dat bleef denk ik zo tot ik het huis uit was.
Ik kan niet anders dan toegeven dat de herinneringen aan mijn vader ambigue zijn.
Laat ons zeggen dat hij niet de man van de nuance was. Zijn wereldbeeld was eerder binair, en de jaren zeventig en tachtig leenden zich daar uitstekend toe: de wereld was opgedeeld in goed en slecht, in links en rechts, in Oost versus West. De dingen waren zus en niet zo. Het leven was een strijd in zijn ogen en zo moest het ook geleefd worden. Daar hoorde koppigheid bij en een soort onverzettelijkheid. Stug volhouden en doen alsof er niets aan de hand was. Ik kan me voorstellen dat het hem hielp op zijn fiets in de bergen of wanneer de wekker afging om drie uur ’s nachts, zes dagen op zeven.
Veel grijswaarden waren niet aan hem besteed, en tienersentimenten vielen in dovemansoren. Er moesten resultaten behaald worden op school, of als dat niet werkte, dan maar in de sport. De botsingen thuis waren niet van de lucht.
Maar hij was zelf ook ooit een zoon, opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Toen was vaders wil wet, en die wet werd zelden zachtzinnig opgelegd. Toch dacht hij aan zijn jeugd terug als de gelukkigste periode van zijn leven en heeft hij zijn leven lang zijn eigen vader verafgood.
Het is pas toen hij al ziek was en zijn aandoening conventies en remmingen deed wegvallen dat er barstjes kwamen in dat zorgvuldig volgehouden plaatje. Het is jammer dat hij daar niet vroeger wat meer evenwicht in vond. Maar zoals ik eerder al zei: mijn vader was geen man van balans, wel van extremen.
Ik heb hem vaak horen beweren dat hij honderd en meer zou worden. Hij heeft genoegen moeten nemen met net geen 80 jaren. Ze waren goed gevuld, al werd zijn horizon op het laatste wel erg beperkt.
Het leven is een lichtflits tussen twee eeuwigheden duisternis, zo opende Vladimir Nabokov zijn autobiografie. Of om vollediger te zijn: The cradle rocks above an abyss, and common sense tells us that our existence is but a brief crack of light between two eternities of darkness.
Ik wou dat hij zichzelf – en anderen rond hem – wat meer zachtheid had gegund tijdens de lichtflits die zijn leven was.
